De tweede belangrijke basisbehoefte van leerlingen is interactie: met elkaar, met de docent en met andere personen op de school. De leerling op de middelbare school is constant bezig met zijn positie in de wereld en in zijn leeftijdsgroep te vinden. Hij beoordeelt zichzelf en anderen, en is gevoelig voor hoe hij zelf beoordeeld wordt of denkt te worden. De relaties met anderen vormen een belangrijk anker voor de eigen persoonlijkheid en het leerproces. Als docent kan je de interactie met een leerling vormgeven om zijn ontwikkeling positief te stimuleren.

Een band scheppen

Besteed persoonlijke aandacht aan je leerlingen. Ken hun namen, probeer met iedereen een praatje te maken, en kom wat details over hun interesses of bezigheden buiten school te weten. Dat zijn de eerste stappen om een leerling te laten merken dat hij welkom is en gezien wordt. Dat moedigt hem aan om mee te doen met de rest, zijn best te doen en op tijd te komen.

Veiligheid in de klas creëren

Leerlingen kunnen de lesstof enkel goed tot zich nemen wanneer ze zich veilig voelen in de klas. Ze moeten zich lichamelijk veilig voelen (beschermd zijn tegen een klap of een duw van anderen), maar ook emotioneel (beschermd tegen uitlachen, kleineren, uitschelden), etc. De leraar kan een veilig klimaat in de klas bevorderen door gewenste omgangsvormen te bespreken, samen over pesten te praten, en vervelende acties terecht te wijzen.

Leerlingen in hun waarde laten

Een belangrijke regel voor een docent is: veroordeel het gedrag, nooit de persoon. Als een leerling het verkeerde antwoord geeft, zijn huiswerk niet af heeft of de orde in de klas verstoort, benoem en veroordeel dan die actie. Maar laat altijd de persoon in zijn waarde en benader hem of haar altijd met respect, ook de leerlingen waarbij het lijkt alsof hij of zij nooit leuk mee wil doen. Juist door ook in hen vertrouwen te stellen en ze aan te moedigen beter hun best te doen, krijg je iets voor elkaar.

Het voorbeeld geven

Een geëngageerde leraar is een geliefde leraar. Hij is onderdeel van de groep, maar ook een bijzonder lid – gelijkwaardig en toch weer niet. Hij neemt het voortouw voor elke les, motiveert de leerlingen, voelt hun zorgen en problemen aan. Ook probeert hij de sfeer in de klas goed te houden, onder andere door zelf positief en enthousiast over te komen, en te bemiddelen bij sociale problemen. Ook geeft hij het voorbeeld door zich aan de klassikale afspraken te houden (op tijd komen, vriendelijk met elkaar omgaan, werk op een degelijke manier voorbereid hebben, etc.).

Leave a Reply